Marloes Diepenbach

Stakingsrecht
Het ESH vormt de belangrijkste rechtsbron voor het stakingsrecht in Nederland. Nederland kent geen wetgeving op dit punt; het Nederlandse stakingsrecht is ‘rechtersrecht’. Artikel 6 lid 4 ESH, in combinatie met artikel G ESH, vormt de grondslag van dit rechtersrecht. Het Nederlandse stakingsrecht is van oudsher gericht op de klassieke werknemer en de traditionele vakbond. De laatste jaren voltrekt zich een aantal ontwikkelingen. Zo neemt het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en het aantal zzp’ers toe. Het lidmaatschap van de vakbonden neemt, mede door de toegenomen individualisering, gestaag af. Collectieve belangenbehartiging door de traditionele vakbonden is niet meer zo vanzelfsprekend. De toegenomen individualisering en flexibilisering maken het lastiger om stakingen te organiseren en zullen effect hebben op de vorm van de actie. Een andere ontwikkeling is dat collectieve acties vaker plaatsvinden in de dienstverleningssector. Niet alleen werkgevers maar ook derden ondervinden hier hinder van en wenden zich tot de rechter. Voorts heeft het Europees Comité voor Sociale Rechten kanttekeningen geplaatst bij de wijze waarop de Nederlandse rechter omgaat met het stakingsrecht.

Deze ontwikkelingen raken het stakingsrecht. De vraag is wat de gevolgen zijn van deze ontwikkelingen voor het stakingsrecht in Nederland. Is het Nederlandse stakingsrecht nog wel geschikt als drukmiddel in het huidige collectieve arbeidsrecht? Indien dit niet het geval blijkt te zijn, kan dan worden volstaan met nadere normering door de rechter of is het wenselijk dat er in Nederland alsnog een wettelijke regeling van het stakingsrecht komt?

Promotor: prof. mr. E. Verhulp

Verwachte afrondingsdatum: september 2017

 

M. (Marloes) Diepenbach
Universiteit van Amsterdam
Postbus 1030, 1000 BA Amsterdam
m.diepenbach@uva.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Pin It on Pinterest